Wijn met pootjes

’s Avonds zitten wij in de opkamer, daar is een houtkachel met een ruitje, waar we met een glaasje wijn lekker naar kunnen staren, en er staat een televisie met een ruitje waar we ook naar kunnen staren.

In deze opkamer begon zich op den duur een hele indringende wijnlucht te verspreiden. Eigenlijk vonden we dat toch gênant; dronken we nu toch teveel wijn? Toen Cleem eens bij de huisarts was, vroeg de arts hem hoeveel wijn hij dronk, en ik antwoordde toen: “Net zoveel als de Fransen”. Onze arts antwoordde ernstig: “O, dat is teveel hoor, een fles per dag.”

Nou, zo erg was het niet, maar toch rook onze opkamer zo langzamerhand wel als een wijnvat. Tja, wat moesten we daaraan nu doen? We stopten een week en de zevende dag keken we elkaar aan, en tegelijkertijd  pakte ik de wijnglazen, en Cleem deed de kast open om de kleine plastic container met wijn, die op de grond stond,  te pakken.

Zodra hij die optilde, spoten er vier straaltjes wijn, als fragiele, pasgeboren rode pootjes, uit de onderkant van het pak. Met  verbazing zagen we dat er een enorme rode vlek in de betonvloer zat en dat de wijncontainer, waarvan de vier hoekjes keurig  open geknaagd waren,  bijna leeg was. Nu snapten we waar de wijnlucht vandaan gekomen was!

We zetten een muizenval in de kast.  Die bleef leeg. Toen ik na een week een lekker biologisch sapje wilde pakken, zag ik dat alle hoekjes van de heerlijke biologische sappen waren open geknaagd. Overal was wat sap uitgelopen, verdomme, kon dat beest niet één pak helemaal leeg drinken?

We zetten een tweede muizenval erbij. Die bleef ook leeg en toen we weer in onze opkamer zaten te genieten van film en wijn, hoorden we een olifant in onze trapkast. Vlug trok ik de deur open en deed het licht aan in de kast…..niets meer te horen en niets te zien. Mijn schouders ophalend, ging ik weer zitten en nam een slok wijn “Bonk, bonk” daar begon het weer. Ik rende naar de kast en gooide de deur open hem: niets te zien en niets te horen.

Ik plofte ik op de bank terwijl ik weer mijn schouders ophaalde. Weer hoorden we het geluid. “Wat is dit toch, geen muis op klompen, maar wat dan, gadver een rat?” Ik deed mijn schoenen uit en sloop naar de kast en deed heel voorzichtig de deur open: niets te zien en een serene stilte. Maar toen we een fles Spa pakten, bleek die maar half vol te zitten, net als de vijf andere flessen.

We zetten een rattenval. Twee dagen erna merkte ik dat het een acrobatische rat moest zijn, want de 12 plastic flessen met azijn, stonden onaangeroerd in de kast, maar alle 12 zonder dop……..Het gekke was, dat er niet aan de pakken met rijst en meel geknaagd was. Nee, dit kon geen rat zijn,

We zetten een vangkooi. Eens op internet zoeken wat het zou kunnen zijn. Een steenmarter, het zijn slimme beestjes, beschermd, en je komt er niet meer van af, want als je ze weg krijgt, ruiken andere marters de lucht en kraken dan de woning van marter nr.1. Je zou een val kunnen zetten, maar ze zijn slim, je kunt ook kijken waar ze binnen komen, en een prop met kranten in het gat doen, en als je dan ziet dat ze die prop naar buiten geduwd hebben, dan weet je dat ze op dat moment buiten zijn en maak je het gat dicht.

O.k. pffff…Laat maar, ik haalde alles wat van papier en plastic was uit de kast, dan kon hij zijn gang gaan, er was niets meer te knabbelen voor hem, want het ging een marter om het knabbelen, liefst aan plastic of isolatie, maar aan dat laatste wilde ik maar helemaal niet aan denken.

Zo gingen enkele dagen voorbij, we merkten er bijna niets meer van, alleen was onze schoonzoon in die tijd hier en toen hij de toiletdeur opende, had hij oog in oog gestaan had met iets tamelijk groot bruins en harig dat op onze boiler zat. De marter had dus de brutaliteit om zelfs gebruik te maken van onze toilet.

Onderin de trapkast hadden we een open bak staan met schoensmeer, veters e.d. en Cleem pakte op een dag de bak uit de kast en draaide zich naar mij om met zijn hoofd knikkend naar de bak: “Wat is dàt in godsnaam????”

Nu is leven met mij gecompliceerd, ik verander nog weleens wat in huis, de zakken met meel kunnen ineens in een andere kast staan, de veters kunnen ineens boven liggen, de kopjes kunnen ineens òp de kast staan, dus ik begreep die vraag wel. In de bak lag een dikke bruine, zo te zien kleverige smurrie. Ik voelde mij een vis die naar adem hapt. “Ik heb géén idee!” Voorzichtig roken we aan het goedje. “Het is soja, ja het is sojasaus!!” riep Cleem uit. En inderdaad de veters en de schoensmeer waren bedekt door de sojasaus voorraad die we in Nederland gekocht hadden.

De drie, nu lege, aangeknaagde sojasaus pakken stonden op de hoogste plank in de kast, achteraan, ik had ze niet gezien, maar de marter wel. In de kast droop de zwarte kleverige drap van de bovenste plank  door de speten van de onderliggende planken, via de ingemaakte potjes met zoetzuur, confituren en langs de muur naar beneden.  Op dat moment knapte er iets in mij. Nu was het genoeg!! Dat hij aan de pakken met  wijn, sap en aan de azijndoppen had geknaagd en ook nog van onze w.c gebruik maakte, tot daaraan toe, maar nu was de grens bereikt. Ik voelde een soort killers instinct in mij opkomen, hij moest dood, beschermd of niet.

Als een fanatieke en moordlustige detective snuffelde ik in en rond ons huis, zorgvuldig kijkend en voelend of er gaatjes waren waar hij door naar binnen kon. En die waren er veel, een bijna 300 jaar oude boerderij met muren van leem en zand, wat verwacht je. Gelukkig begon het te sneeuwen, en ik werd spoorzoeker. Ik dacht het gaatje gevonden te hebben en stopte die vol met kranten, dit heeft geholpen of de marter heeft geweten dat hij te ver gegaan is, of hij is misselijk geworden van de soja douche.

 

meisje met wijn

Een motorzaag in de nacht.

De nachten zijn hier donker, niet gewoon donker, nee, net als in het boek van Bot en Botje: “in een donkere, donkere nacht staat een donker, donker huis.” En dat huis is ons huis waar wij heerlijk slapen als het zo donker is. En stil. Zo stil, dat je niets hoort, echt helemaal niets, of ja, af en toe, het burlen van een hert, de schreeuw van een marter, het blaffen van een vos of een ree, en heel af en toe het bijzondere geluid van overvliegende kraanvogels. Elk geluid is voor mij een feest, als ik het hoor en zelf geen nachtgeluid maak, spring ik uit bed en gooi het raam verder open om met volle teugen te genieten van deze oergeluiden.

Op een nacht ontwaakte ik door een vreemd geluid, het hield op toen ik wakker werd, en terwijl ik mij afvroeg of ik het misschien gedroomd had, hoorde ik het weer. Even kon ik het niet thuisbrengen, in mijn onbewuste werd wat geregistreerd wat mijn bewuste nog niet kon bevatten. Ineens werd het helder: een motorzaag!!

Ik sprong uit het bed en gooide het raam verder open en luisterde met ingehouden adem; ja duidelijk een motorzaag…… Welke idioot gaat er nu om drie uur ’s nachts bomen zagen?? Of zo?? De haren op mijn arm rezen omhoog. Mijn oren deden hun uiterste best om zich beiden tegelijk naar het geluid te richten. Ik hoorde stemmen, dan was het tenminste niet één gek, maar het waren een paar mensen, en dit stelde mij, misschien vreemd genoeg,  gerust dat er meerdere mensen bij waren. Als er gezaagd werd zo midden in de nacht, dan was er misschien een ongeluk gebeurd, de kronkelende weg zonder verlichting was niet zo ver weg. Als dat zo was dan zou er misschien wel een trauma helikopter komen, die is hier sneller dan een ziekenauto.

Inmiddels was Cleem ook wakker, en het duurde inderdaad niet lang, of we hoorden de helikopter. Het was hartje zomer 2015, en het gras stond hoog in de weilanden, klaar om gehooid te worden. We zagen de helikopter rondjes vliegen, het was duidelijk dat hij een landingsplaats zocht. Blijkbaar was dat heel moeilijk, hij kwam steeds dichterbij en ging rond ons huis een plek zoeken, terwijl hij af en toe over ons huis vloog.

Wat een geweld! Enorme zoeklichten schenen naar binnen en op ons land, het gedreun van de laagvliegende helikopter denderde in ons lichaam. Een minuut of 5 of 10? Ik weet het niet, het duurde lang. Ik keek even naar het gastenverblijf, maar daar bleef alles donker, ze sliepen er doorheen. Uiteindelijk zagen we hem op de weg landen. Met het geruststellende idee dat alles onder controle was, doken we ons bed weer in.

De volgende ochtend lazen we dat er inderdaad een auto uit de bocht gevlogen was, zo het bos in,tussen de takken, de twee passagiers moesten bevrijd worden en werden voor observatie per helikopter naar het ziekenhuis gebracht.

Gerustgesteld verzorgden we het ontbijt voor de gasten, die slaperig aan tafel kwamen, en toen kwamen de verhalen. Doodsangsten hadden ze vannacht doorstaan, verstijfd hadden ze in bed gelegen, er werd vast naar een terrorist gezocht die zich hier verscholen had. Onze vrijwilligster had voor het dakraam gestaan, toen de enorme zoeklichten haar hele kamer verlichtte. Ze had de kamerdeur gecontroleerd of hij op slot zat en was met haar hoofd onder de dekens gaan liggen. Andere gasten hadden alles donker gelaten, zodat niemand zou merken dat zij daar waren. Arme gasten. En dat allemaal hier in ons stille, rustige gehucht.

Toch zijn we nog eens wakker geworden door motorzagen, deze keer in de vroege ochtend, Cleem sprong uit bed, vloog naar het raam en riep: “Shit, zie je wel, dat is in onze tuin!!”

En inderdaad tot onze grote verbazing en boosheid waren twee mannen bomen aan het zagen in onze tuin!!

Snel schoten we onze kleren aan en liepen met stoere, stevige passen op de twee mannen met motorzagen af. Wat mot dat? Het waren werknemers van de EDF de elektriciteitsmaatschappij, en zij mochten dat gewoon doen vertelden ze. Wij geloofden ze natuurlijk niet en gingen het direct verifiëren bij onze buurvrouw. Ja…dat mag, ze hoeven geen toestemming te vragen, ze mogen gewoon in je tuin of op je land weghalen waarvan ze denken dat het de bovengrondse elektriciteitsdraden gaat belemmeren. O.k. en dat ze ook de lage buxus snoeiden, nou ja, amputeerden, dat zullen we dan maar de Franse slag noemen.

bot en botje